Das Verb »antworten« lässt sich wie folgt von Deutsch auf Niederländisch übersetzen:
antwoorden
Deutsch/Niederländische Beispielübersetzungen
Was hast du geantwortet?
Wat heb je geantwoord?
"Das ist sehr nett von Ihnen", antwortete Willie.
"Dat is heel aardig van u," antwoordde Willie.
"Dat is ontzettend vriendelijk van u," antwoordde Willie.
Ich bin Japaner, antwortete der Junge.
"Ik ben Japanner", antwoordde de jongen.
Er zögerte, bevor er antwortete.
Hij weifelde voordat hij antwoordde.
Hij aarzelde voordat hij antwoordde.
Er antwortete seinen Eltern.
Hij gaf zijn ouders antwoord.
Ich musste ihr antworten.
Ik moest haar antwoorden.
Er antwortete, dass er es nicht wisse.
Hij antwoordde dat hij het niet wist.
Die Studenten konnten nicht antworten.
De studenten konden niet antwoorden.
Ich antwortete automatisch, als ich meinen Namen hörte.
Ik antwoordde automatisch toen ik mijn naam hoorde.
"Ich habe es schrecklich eilig ... aus Gründen, die ich nicht erklären kann", antwortete Dima der Frau. "Bitte lassen Sie mich einfach diesen Anzug hier anprobieren."
"Ik heb verschrikkelijke haast... om redenen die ik niet kan noemen," antwoordde Dima de vrouw. "Laat me alstublieft gewoon dat pak daar passen."
Er antwortete kurz.
Hij gaf kort antwoord.
Sie konnte immer auf alle Fragen antworten.
Ze kon altijd op alle vragen antwoorden.
"Spieglein, Spieglein an der Wand, wer ist die Schönste im ganzen Land?" So antwortete der Spiegel: "Frau Königin, Ihr seid die Schönste im Land."
"Spiegel, spiegel aan den wand, wie is de schoonste in 't gansche land?" Dan antwoordde de spiegel: "Vrouw koningin, gij zijt de schoonste in 't land."
Er konnte auf diese Frage nicht antworten.
Hij kon deze vraag niet beantwoorden.
Er antwortete mir mit einem Lächeln.
Hij antwoordde mij met een glimlach.
Er weiß nicht, wie er antworten soll.
Hij weet niet hoe hij moet antwoorden.
Und ich antworte: nein.
En ik antwoord: nee.
Ich antwortete freudig.
Ik antwoordde met plezier.
Sie antwortete nicht.
Ze antwoordde niet.
Niemand antwortete auf die Frage.
Niemand antwoordde op de vraag.
Willst du, dass ich antworte?
Wil jij dat ik antwoord geef?
Was für eine Frage ist das? Erwartest du wirklich, dass ich darauf antworte?
Wat voor een vraag is dat? Verwacht je echt dat ik daar antwoord op geef?
Und was hat sie geantwortet?
En wat zei ze?
Jesus antwortete ihnen.
Jezus antwoordde hen.
Bitte antworte bald.
Geef alsjeblieft snel antwoord.
Antwoord alsjeblieft snel.
Ich weigere mich zu antworten.
Ik weiger te antwoorden.
Er antwortete nicht auf den Brief.
Hij antwoordde niet op de brief.
Warum antwortest du nicht?
Waarom geef je geen antwoord?
Waarom antwoord je niet?
Warum antworten Sie nicht?
Waarom geeft u geen antwoord?
Warum antwortet ihr nicht?
Waarom geven jullie geen antwoord?
Waarom antwoorden jullie niet?
Tom antwortete sofort.
Tom heeft meteen geantwoord.
Du musst nicht antworten.
Je hoeft niet te antwoorden.
Sie brauchen nicht zu antworten.
U hoeft niet te antwoorden.
Du brauchst nicht zu antworten, wenn du nicht willst.
Je hoeft niet te antwoorden als je dat niet wilt.
Tom antwortet nicht.
Tom antwoordt niet.
Was hat Maria geantwortet?
Wat heeft Maria geantwoord?
Bitte antworten.
Antwoord alstublieft.
Keiner antwortete.
Niemand antwoordde.
Hat Tom geantwortet?
Heeft Tom geantwoord?
Ich werde Ihnen umgehend schriftlich antworten.
Ik zal u snel schriftelijk antwoorden.
Quintus antwortet.
Quintus antwoordt.
Ich werde Ihnen morgen antworten.
Ik zal u morgen antwoorden.
Ik zal u morgen een antwoord geven.
Ich werde euch morgen antworten.
Ik zal jullie morgen antwoorden.
Ik zal jullie morgen antwoord geven.
Bitte antworte ja oder nein.
Antwoord alsjeblieft ja of nee.
Tom antwortete.
Tom antwoordde.
Wir haben nicht geantwortet.
Wij hebben niet geantwoord.
Sie antwortete auf meine Frage nicht.
Ze antwoordde niet op mijn vraag.
Ich werde innerhalb der nächsten drei Tage antworten.
Ik zal binnen drie dagen antwoorden.
Tom zögerte einen Moment bevor er antwortete.
Tom aarzelde een ogenblik voor hij antwoord gaf.
Warum antwortet niemand?
Waarom antwoordt niemand?
Ich bin bereit zu antworten.
Ik ben bereid om te beantwoorden.
Ik ben gereed om antwoord te geven.
Selbst ein Kind kann auf diese Frage antworten.
Zelfs een kind kan op die vraag antwoorden.
Sie müssen nicht antworten, wenn Sie nicht wollen.
U hoeft niet te antwoorden als u dat niet wilt.
Tom antwortete detailliert.
Tom antwoordde in detail.
Wer hat geantwortet?
Wie heeft gereageerd?
Warum hast du nicht geantwortet?
Waarom heb je niet geantwoord?
Er hält es nicht für nötig, auf meine Fragen zu antworten.
Hij vindt het niet nodig om mijn vragen te beantwoorden.